‘Het zit in de genen wordt vaak gezegd.’
Vrouw met bipolaire stoornis in park

Leven met een manisch-depressieve stoornis, het verhaal van Petra

“Het zit in de genen wordt vaak gezegd. Ik ben zelf ook tot die conclusie gekomen. Bij mijn vader kwam de manische depressie pas op latere leeftijd naar voren. Bij mij en bij mijn broers kwam het helaas eerder in het leven”.

Steun en onbegrip

De hele stamboom heb ik niet onderzocht, maar het zou me niet verbazen als de psychiatrie nog vaker in onze familie naar voren kwam. In mijn vriendenkring komt manisch depressiviteit beperkt voor. Via de vereniging van manisch-depressieven VMDB heb ik wel diverse contacten met lotgenoten. Collega’s heb ik niet, omdat ik in het vrijwilligerswerk alleen werk. Dat betekent voor mij dat ik daar geen steun kan krijgen, maar ook niet wordt geconfronteerd met onbegrip. Want helaas verdiepen mensen zich niet in de ziekte of het moet henzelf betreffen.

Relaties zijn lastiger

Veel mensen die manisch depressief zijn staan alleen in het leven. Door hun ziekte is de relatie met partner en kinderen erg belast. Nogal eens loopt dat uit op scheiding en het verlies van de contacten met kinderen. Zelf ben ik gelukkig getrouwd, al weer vijftien jaar. Dat had ik in de periode dat ik ernstig ziek was niet verwacht. Mijn broer is alleen gebleven. Hij heeft niet iemand naast zich die in de gaten houdt hoe het gaat en ingrijpt wanneer het uit de hand loopt.

Kinderen

Helaas hebben we geen kinderen. Van de twee polen die de ziekte kent, de manie met overdreven vrolijkheid en de depressie met de somberheid en doodsverlangen, komt er bij mij een maar voren: ik ben gevoelig voor manische opflakkeringen en het kooppatroon dat er bij hoort. Het is voor mijn man zeer vermoeiend om mij dan te begeleiden. Hij heeft zijn rust ook nodig. En ik heb soms extra medicatie nodig om de geest weer tot rust te krijgen. Ik blijf geloven en hopen op een goed eind, ook wanneer mensen behoorlijk beschadigd zijn.

De naam Petra is gefingeerd, om privacy redenen.

Feedback